Zittend aan tafel met uitzicht op een stuk bos schreef ik donderdag:

Een duif scharrelt rond russen de sprieten van het gras. Kopje links omlaag, kopje rechts omlaag, stapje vooruit. Kop even omhoog om te checken of het nog veilig is en dan weer het kopje naar links, naar rechts, stapje vooruit. De witte vlek in zijn nek valt goed op tussen het grijs van zijn verenkleed. Daaraan herken ik dat het een houtduif is.

Kerktorenhoge dennen staan stijf tussen bewegend lover van de struiken aan hun voeten. Ik wacht op de eekhoorns, ze moeten er zijn maar ik zie ze niet.

Van alle kanten wel vogelgezang. In het oudbruin blad op de bodem onder de bomen scharrelt een vrouwtjesmerel. Met haar snavel gooit ze blad na blad om op zoek naar insecten. Dan komt er nog een bruine merel bij die precies doet wat de eerste ook doet. En dan nog een bruine merel en nog een en allemaal doen ze de eerste na. Zou het moeder met bijna volwassen kinderen zijn? Ik kan niet zien of ze gespikkelde borstveren hebben want dan zijn het jonge merels en hun bruin is iets doffer dan van hun moeder. Later verandert hun verenkleed en tonen ze duidelijk of ze man of vrouw zijn.