Van de week ‘moest’ ik schrijven over knikkers en dat haalde weer herinneringen naar boven. Ik zie nog die nieuwe glazen stuiters voor me, nog glanzend en niet beschadigd, zorgvuldig bewaard in een knikkerzakje dat mijn moeder had gemaakt. En als het knikkertijd werd, dat was het opeens, dan kwam het zakje tevoorschijn en dan aarzelen welke knikker je het eerst zou gaan gebruiken. In de straat waren er tussen de stenen ‘putjes’. Het zand werd eruit gehaald en dan had je een verdieping: de put. Om de beurt erheen rollen met een knikker en volgens mij wie het dichtste bij lag mocht de knikker van een ander erin proberen te mikken. Zolang dat lukte was je aan de beurt. Maar oh wee, als je vlak voor de laatste knikker miste, dan zou de ander de hele pot kunnen winnen. Want soms gooide je wel twee of meer knikkers op. Er werd goed opgelet dat je maar met één vinger duwde en ‘klauwtje bij’ werd afgestraft.

We mochten ook binnen knikkeren. Dan maakten we een opening tussen twee kleedjes in. En dan opeens was de knikkertijd voorbij en begon de springtijd of de baltijd. Nu realiseer ik me dat wij uren altijd op straat speelden. Geen auto’s in de straat, bijna geen verkeer. Wat een rustige tijd was dat voor een kind. Een van de dochters zei onlangs: ‘wat ben ik blij dat er in onze jeugd geen mobieltjes waren’. Ook zij speelden uren op straat en ook zij hadden die knikkertijd, springtijd of baltijd.
Ik heb even wat namen opgezocht die de knikkers hadden. Een aantal kende ik, andere waren nieuw voor me. 

klik erop om het te kunnen lezen