Afgelopen week zag ik veel meeuwen op het strand en in de zee. Bij een meeuw bleef ik wat langer staan kijken want wat had hij of zij nu in de bek? Toen ik inzoomde zag ik dat het een scholletje zonder kop was en dat de meeuw die probeerde naar binnen te werken. Maar dat ging niet: bek te klein, schol te groot. Toch werd het op allerlei manieren geprobeerd en toen de meeuw er genoeg van had en de vis liet vallen, pakte een andere meeuw de vis en begon het schouwspel weer opnieuw. Natuurlijk maakte ik er foto’s van, ook van gewoon langslopende meeuwen, stilstaande meeuwen, zwemmende meeuwen etc.



En net bedacht ik dat ik in 1999 een gedicht had gemaakt over een heel bijzondere meeuw:
een travestiete mantelmeeuw zat,
opgemaakt met poedersneeuw,
te pronken op een drijvend hout
en zag in ’t diepe water zijn silhouet
weerspiegeld in wel duizendvoud.
dat ijdel beeld werd plots doorbroken
door slechts een kleine drijf-veer.
en dat nietig, bijna nietsje
bracht de mantelmeeuw tot inkeer.
ijdelheid der ijdelheden
hoort vanaf vandaag ook tot mijn verleden.
door gewoon weer grijs en wit te zijn
draag ik, welbeschouwd,
mijn veertje bij aan ’t natuurbehoud.
~





