Zo’n twintig jaar geleden kampeerden wij in Frankrijk. Op de camping stond een oude boom en ernaast groeiden twee jonge bomen. Ik keek ernaar en dacht: straks wordt de oude boom verdrongen. Maar misschien kan het ook anders uitpakken. En daaraan denkend schreef ik het onderstaande sprookje.
DE KERS DIE NIET OUD DORST TE WORDEN
Er was eens een kersenboom in de kracht van haar leven. Zij had niet veel nodig om te kunnen bestaan. Op z’n tijd zon, regen, bijen om de bloesem te bestuiven en vogels om van haar kersen te genieten. Maar nadat er vele jaren waren verstreken voelde de kers de angst voor de eenzaamheid van de oude dag. Zouden de bijen nog komen als zij geen bloemen meer droeg? En zouden er nog vogels bij haar langs komen als er niets meer te snoepen viel?
De vogels hoorden haar bange gedachten door de blaadjes ritselen. Zij haalden zaden bij de mooiste es die ze konden vinden en lieten die rond de kers vallen. En toen begon het lange wachten op de nieuwe lente. Dat jaar was de winter heel koud en duurde langer dan ooit. Maar toen, in de lente, kwamen twee kiemplantjes te voorschijn, ieder aan een kant van de brede, met zachtgroene korstmossen begroeide stam. De kers kon het zelf niet zien, maar de mieren vertelden het haar, colonnes lang, letter voor letter. De mussen kwetterden het rond en toen de boom begreep wat de vogels, die zij altijd gastvrijheid bood, hadden gedaan, bloosde zij als een rijpe kers.
Zij sprak met al haar takken af de kleintjes de ruimte te geven. Haar stam beschermde tegen koude en hitte. Zo groeiden twee jonge boompjes langzaam naar het licht en werden ieder jaar dikker en stabieler. De kers werd nu echt een oude boom, krakkemikkig, bijna zonder bloesem maar vol prachtige mossen die haar ‘s winters warm hielden. En toen de kers niet meer op eigen wortels overeind kon staan, steunden de jonge bomen haar en hielden haar overeind. Zo is zij gestorven: waardig tussen haar beschermelingen in.
Marisca