troost

Troost is wat je wilt geven aan je geliefden als die verdriet of pijn hebben. Je wilt je armen om hen heen slaan, de kou, de pijn, de angst wegnemen en liefde en warmte teruggeven.

Maar dat kan niet altijd. Soms wil de ander (nog) niet getroost worden. Verdriet moet zijn tijd krijgen.

Soms is het er gewoon zijn al een troost, of een kaart of bloemetje. Laten weten dat je er bent voor de ander kan al troostend werken.

Kun je ook iemand troosten die je niet of nauwelijks kent? Zeker. Als je hart geraakt wordt door de nood van de ander kun je jezelf openstellen en jouw warmte, aandacht, liefde schenken, wie die ander ook is.

Mensen die beroepsmatig anderen ontmoeten met verdriet, pijn, wanhoop, moeten, denk ik, er voor waken dat zij die nood niet in zich opnemen. Dan slaat de balans na een tijd de verkeerde kant op en is er geen ruimte meer om de armen te spreiden en het hart te openen om de ander te troosten.

Maar wat een moeilijke opgave lijkt me dat.

een Brit

Nu is toch aan mijn plek gebonden ben en ik zaterdag bezoek op mijn kamer krijg, een goede gelegenheid om de stapels op werkblad en tafel weer eens door te nemen, anders te stapelen zodat het net lijkt of het opgeruimd is. Maar dan vind ik altijd weer iets waarvan ik heb gedacht: daar heb ik wel een keer wat aan. Zoals dit gedicht van Herman de Coninck.

EEN BRIT

is iemand die ins taat is een warenhuis
binnen te komen, aan te kloppen en te vragen:

Stoor ik niet?”

Misschien stoort een Brit zichzelf wel,
een Britse persoonlijkheid moet iets wezen
als een brits waarop je ongemakkelijk slaapt.

Maar je leert er wel de tucht mee
om gevoelens op afstand te houden,
zoals je zelfs een sigaret op afstand houdt
door een (Engels uit te spreken
zo houd je het Frans op afstand)
porte-cigarette.

En je leert er het dédain mee om hoffelijk te zijn.

Ik geloof nog altijd dat Wellington, toen hij
in Waterloo Napoleons troepen zag
“quite interesting” moet gezegd hebben.

Herman de Coninck
uit: Kijk eens hoe echt.

Opruimen schiet zo natuurlijk niet op.

Bel op hol

Vannacht rond twee uur schrikken we wakker van de bel. Iemand blijft die ingedrukt houden. Ik schrik op, ren naar de sleutels en ‘au’, iets gaat mis in mijn kuit. En die bel ging maar door. Nu staat die op de hoogste stand qua geluid, dus de etages onder en boven konden ‘meegenieten’. Maar niemand die op de bel drukte en hij ging maar door. Radeloos op het ding staan meppen en gelukkig, het stopte. Alleen gewoon lopen ging niet met mijn been en liggen zonder pijn ook niet. Maar ik ben weer in slaap gevallen tot om vijf uur dat kreng weer begon te loeien en wat we ook deden, niets hielp.

De benedenbuurman kwam polshoogte nemen en wist uiteindelijk draden los te krijgen en toen werd het stil, heerlijk stil. Hoe het kan? Geen idee. Wel heb ik nu verplichte rust met mijn been. En hoe lang dat duurt? Geen idee. Gelukkig zijn er boeken genoeg. En Ton heeft voor heerlijk eten gezorgd: uit het Indische restaurant om de hoek.

z van zomer en zee

Wie wat bewaard heeft wat. Dit maakte ik vorig jaar bij het letterproject met Nel bij de letter Z. Klik erop om het te vergroten.

warm

Sinds gisteren hebben we last van de warmte en gelukkig kun je als pensionado je rust nemen. Vanmorgen wat oude bloemen op papier  met plakband vastgelegd, foto’s van gemaakt. Toen inkt erbij gedaan, laten uitlopen, foto’s gemaakt. Water erover gegooid en inderdaad, foto’s van gemaakt. Toen het papier gescheurd en tegen de lucht gehouden en jawel, foto’s gemaakt. Daarna er op de pc mee zitten spelen. Ik had de gekleurde bewerkingen willen laten zien, maar die hebben zich ergens verstopt en ik kan ze even niet vinden. Maar deze vind ik ook heel goed geslaagd.

nog een

Ik weet het, de lente is voorbij en toch, toen ik deze narcissen ergens in een vaasje zag, kon ik het niet laten hen via de foto mee naar huis te nemen.

Haarlem

Gisteren met fotovriendin S. op pad geweest in Haarlem. Zij woont op een hofje waar ik nog nooit was geweest : ‘In Den Groenen Tuin’, gesticht in 1616. Daar heb ik wat de foto gezet, en verder bij het nieuwe gerechtsgebouw, de Filmschuur en rond de oude kerk in het ‘rode lichtgebied’. En al liepen we dezelfde weg, de foto’s waren anders want we kijken op onze eigen manier. Zo keek ik:

En in het kader van de blauwe maand op het laatst nog een blauw glas op de foto gezet.

groen en geel ergeren

Zich groen en geel ergeren.

Waar komt deze uitdrukking vandaan? En waarom die kleuren die toch best vrolijk zijn?
Al in de zeventiende eeuw werd deze uitdrukking gebruikt in ‘Mijn ogen zien groen’, in de betekenis van: het duizelt me en daardoor kan ik geen voorwerpen en kleuren meer onderscheiden. In 1612 schreef Bredero: ‘ Hoe swindelt (duizelt) my myn hooft? Myn ooghen sien al groen’. Vanaf 1700 wordt geel aan het spreekwoord toegevoegd, mogelijk vanwege de alliteratie. Werd het aanvankelijk alleen voor een lichamelijke toestand gebruikt, rond 1900 werd er ook een emotionele toestand mee bedoeld: zich groen en geel ergeren. Ook in Friesland kennen ze deze uitdrukking:
‘it waard him grien en blau foar de eagen’. Alleen is geel daar voor blauw verruild.

Groen en geel, van ouds de kleuren die in verband worden gebracht met afgunst, jaloezie en woede, dus niet zo gek dat zij samen in dit spreekwoord terecht zijn gekomen. “Geel van nijd zien’ past hier ook goed bij.

Al in de middeleeuwen werd in Europa de kleur geel voor gevaar gebruikt. De gele vlag werd uitgehangen als er in een stad de pest heerste en nog altijd betekent op een schip de gele vlag: besmettelijke ziekte aan boord. En in het vlaggenalfabet staat de Q voor Quarantaine.

In de middeleeuwen was de kleur geel ook de kleur van de uitgestotenen, verraders. En prostituees, beulsknechten, huursoldaten en joden waren verplicht geel te dragen om te laten zien wie ze waren. En zelfs in de 20e eeuw, tijdens de tweede wereldoorlog, werd het geel misbruikt voor de gele jodenster.

Dan is er niets vrolijks aan de kleur geel.

gevonden

Hij hing er wat verloren, maar ik heb hem gevonden.

boomstam

Vanmorgen werd in het schrijfcafé de vraag gesteld: ‘wat zou je als omhulsel willen hebben om de wereld op afstand te houden?’ Direct dacht ik: de stam van een boom.

Ik zou de stam van een boom als omhulsel nemen. Een populier met knoesten als ogen in de stam zodat ik naar alle kanten naar buiten kan kijken en grote poriën om genoeg lucht te krijgen. Ik beslis zelf wanneer ik uit mijn stam wil stappen om op pad te gaan. Want alleen leven binnen mijn stam is me te weinig. De wereld rondom met zijn natuur en cultuur is er niet voor niets. Maar daarna me weer terugtrekken binnen mijn bast, mijn haren als een kroon wapperend in de wind, mijn tenen gespreid in de aarde.
En als soms een andere stam wat te dichtbij komt, houd ik met mijn takken, mijn zelfgekozen afstand tot de ander in ere.

« Previous EntriesVerder kijken »