Gisteren weer eens ouderwets ‘lopen’ fotograferen: ongeveer 100 meter per uur. Want er was zoveel te zien als je goed keek. Zoveel verschillende gekleurde bladeren op de grond, half en bijna ¬†geheel vergane bladeren, paddestoelen, lichtval door bladeren met gaatjes erin. Als je dat samen doet met een andere natuurgids, doen weet je: dit schiet niet op, maar oh wat heerlijk om zo rond te scharrelen.

Op een gegeven moment ben je echter verzadigd, gaat je rug protesteren en is het tijd om naar de fiets terug te gaan. Maar dan zingt er boven in de boom een roodborst zo uitbundig, dan moet je even stilstaan en luisteren. En kijken door je toestel waarmee je hem dichterbij kunt halen. Hij bleef geduldig poseren en zingen en toen zag ik iets dat ik nog nooit eerder had gezien: hij had een sliert speeksel tussen zijn bek hangen. Niet gezien met het blote oog, maar door de camera wel. Dat zijn geluksmomenten, net als de zon door de bladeren te zien schijnen of de geur van de herfst te ruiken samen met B.