Stel: ik ben de kerstman en mag een ¬†groep mensen blij maken vandaag. Ik rijd naar een asielzoekerscentrum waar mensen uit allerlei landen verblijven. Het is er donker en ik laat allerlei lichtslingers ophangen tussen de barakken en huisjes. Ik klop bij iedere deur aan en breng lijstjes vol foto’s van achtergebleven familie en achtergelaten huizen. Ik geef bandjes vol muziek die ze als kind altijd hoorden en zongen. Geef snoepgoed dat hier niet te krijgen is maar in hun vaderland wel. Overhandig kleurige omslagdoeken, geweven in de kleuren en patronen van hun geboortestreek. Dichtbundels in de hun zo vertrouwde taal en speelgoed voor de kinderen. Speelgoed van toen, waar de ouders over kunnen vertellen en speelgoed van nu, want dat wil ieder kind ook.

Ik breng stapels brieven, geschreven door familie en vrienden. En ieder krijgt een doosje vol hoop dat zij steeds weer op hun eigen wijze kunnen vullen en dat niet leeg kan raken. En ik breng ze licht dat opflikkert als het donker wordt zodat zij elkaar kunnen blijven zien en er altijd iemand is die naar ze kijkt en naar ze glimlacht.

Stel dat ik de kerstman was.