In de Bavokerk op de Grote Markt was een kapel die vroeger toebehoorde aan de hondenslagers. Dat stond erbij geschreven. De kapel was leeg op wat oude stoven na. Ik dacht: wat was nu een hondenslager eigenlijk en waren die zo belangrijk dat zij een eigen kapel kunnen hebben? Het blijkt dat zij helemaal geen honden slachtten en het vlees verkochten als eetwaar, maar zij waren kerkelijke bedienden die tot taak hadden honden tijdens de dienst met een stok of zweep naar buiten te verjagen. Zij werden ook wel ’stokman’ , hondenmepper of ‘koddie’ genoemd. En ik herinner me nu oude schilderijen waar inderdaad honden in de kerk liepen.

En zo kwam ik ook het woord ‘gruyter’ tegen tijdens het opzoeken, ook wel ‘gruiter’ ‘grutenare’ of ‘gruutmeester’ genoemd. Ik dacht direct aan de winkel van De Gruyter terug met die prachtige glimmende koperen koffiebakken, het ’snoepje van de week’ en de 10 procent bonnen die mijn moeder opspaarde voor Sinterklaas of als ze het eerder hard nodig had. Maar wat was een Gruyter eigenlijk? Gruit was een plantaardig, kruidend toevoegsel dar gebruikt werd voordat de hop in zwang kwam. Mijn vraag is nu: was de gruiter nu de man die ┬áde planten kweekte of de man die het gebruikte om bier te brouwen? Ik gok op het laatste.