Vanmorgen werd ik wakker in weer een witte wereld. Een mooie dag om op bezoek te gaan bij een oude tante van Ton die sinds kort niet meer thuis woont. Wij bezochten haar af en toe en geregeld belde zij op om te vragen hoe het met ons ging. Het bleek dat zij op de gesloten afdeling zat en in eerste instantie dacht ik: wat doet zij hier? Ik dacht ook dat de nog jonge vrouw aan het hoofd van de tafel de begeleidster was, maar helaas was zij hier ook bewoonster. Tante Rie was enorm verheugd dat wij er waren en wist precies wie we waren, alleen de namen, die vergat ze steeds weer. Vele malen vertelde zij van haar geboortehuis in Nieuw Vennep maar dat vonden wij niet erg en dat zij al negentig jaar oud was en de laatste nog in leven van het hele gezin.  Ze vertelde dat ze heel erg tevreden was met de plek waar ze nu was want ze snapte dat ze niet meer thuis kon wonen. En daarna begon het verhaal van vroeger weer, maar ook was ze nog steeds vol belangstelling naar ons. Opeens kijkt ze Ton aandachtig aan en zegt:’ Je kunt aan zijn ogen zien ( ik dacht dat er zou volgen: dat hij een echte van der Eem is, maar nee, want ze vervolgde met) dat hij zijn beste tijd heeft gehad’. Ik moest zo vreselijk lachen en Ton iets minder hard. En zij, zij lachte mee. Wij vroegen naar haar kamer en die wilde ze wel laten zien, maar hoe ze er moest komen? Dat wist ze niet. ‘ Maar’, zei ze opgewekt ’ dan vragen we of er iemand even meegaat’. En op haar kamer hebben we de familiefoto’s bekeken, besproken en haar gecomplimenteerd met haar gezellige kamer. Daarna gingen we terug naar de huiskamer, dronken een kop koffie, spraken nog even samen en namen toen afscheid. Aan de tafel zaten twee ouderen te slapen door al het gespraat heen, een dame zat eindeloos haar oorbel in en uit te doen en de ander pakte een boek en ging lezen. Toen we weggingen zei de tante:’ als ik vannacht mijn ogen sluit en niet meer wakker word, dan vind ik dat prima’. Ik zei: ‘ nou, dan ben ik blij dat ik u dan nog gezien heb’. Zij lachen en direct daarna zei ze:’ komen jullie weer gauw terug?’ Wij komen terug. Toen wij terugliepen en zo rondkeken, zag dat sommigen gevoerd werden, moest ik denken aan het gedicht dat ik vele jaren geleden heb geschreven.

als je niet meer weet van vandaag
kruip je steeds dieper weg
in de gangen van je levenshuis
tot je weer helemaal kind bent

 m’