Uit het gedicht ‘Reis’ van Bert Voeten kies ik de strofe:

Maar de deur van de lucht waait dicht                                                                             en de regen gaat er voor staan

Wat een bijzonder beeld. De deur van de lucht, is die tussen de wolken, achter de wolken of in het blauw verborgen? En als die open staat, waait het dan? En de wind die dan ontstaat, slaat die dan later die deur weer dicht en verdwijnt de wind er dan weer achter?

Wie maakt de deur weer open? De wind die er net zo lang tegenaan beukt tot hij open vliegt of doet de lucht hem af en toe open als hij wil luchten? De regen houdt niet van de wind en staat als een wachter voor de deur waarachter de wind is opgesloten. Maar hoe sterk de regendruppels ook zijn, uiteindelijk wint de wind en waait de deur weer open en begint alles opnieuw zoals het al gaat sinds de geboorte van de lucht, de wind en de regen.