Vandaag mijn vrije reis naar Enkhuizen en net als vorige week regent het pijpenstelen. Nu kunnen pijpenstelen krom, recht, lang, kort, dik of dun zijn, maar ik denk dat de uitdrukking slaat op de ouderwetse Goudse pijpen van witte gebakken klei. Zou dat slaan op de regen die in lange slierten omlaag komt? Als ik zo in de trein zit, zal ik het eens opzoeken.

Zittend in een heel stille 1e klas coupé lees ik:

‘Het moet officieel pijpenstelen zijn, met een n, om aan te geven dat het flink regent. Geen klein buitje maar een langere periode waarin het water naar beneden komt’.
In ‘ Onze Taal’ lees ik dat het gezegde inderdaad komt van de Goudse pijpen. De steel daarvan is recht, lang en dun. De regen valt dus in lange, dunne stralen naar beneden.

Maar het regent niet alleen pijpenstelen in onze taal maar ook: koeienstaarten, mollenjongen (als de lucht zo zwart is als het vel van een mol), scheermessen, telegraafpalen, oude wijven en bakstenen.

Nadat ik dit heb opgeschreven ga ik lekker naar buiten kijken waar de regen nog steeds tegen de ramen slaat. Maar binnen is het warm en stil. In Enkhuizen loop ik onder mijn paraplu door de kronkelige straatjes op weg naar het Zuiderzee Museum waar het ook droog en warm is en waar ik tijdens het koffiedrinken luister (en velen met mij) naar folkmuziek. Dan dwaal ik door het museum, maak foto’s, lees opschriften, kijk rond en ga weer terug de regen en de trein in. En Ton, zit die zielig thuis? Nee hoor, hij is in goed gezelschap van zijn dochter en neemt haar mee uit lunchen. Beiden dus een fijne dag.