mijn stoel!

Ik herlas een aantal aangestreepte delen in het boekje ‘: Het volle leven” van Wilhelm Schmidt. Onderstaand citaat is vast herkenbaar.

‘ Als ik in een ruimte kom, dan weet ik meteen welke stoel ‘ de mijne’ is. Als hij al bezet is, ergert mij dat: wat is dat voor brutaliteit om op mijn stoel te gaan zitten? Al te uitbundig hoeft hij niet te zijn, geen troon, want ik ben per slot van rekening geen koning. Hij moet comfortabel zijn en mij een beetje in de armen sluiten, met een lichte ronding waarin mijn rug zich kan vlijen. Misschien ook met leuningen, die me ondersteunen als ik moe ben. Ik heb er niets tegen wanneer hij bekleed is: het leven is al hard genoeg en laat dan tenminste mijn achterste maar zacht neerkomen…

…Het liefst heb ik dat ik er een beetje in kan hangen zoals ik dat zelf het prettigst vind, en het mooiste is als de stoel er zelf ook plezier aan beleeft. Hij mag voor mijn part piepen van genoegen, zolang hij maar niet van oudersomszwakte in elkaar zakt als ik erop zit…

Doen we eigenlijk te weinig he, wat mijmeren over de dingen die ons omgeven iedere dag en die we daarom bijna niet meer echt zien. Morgen is weer het schrijfcafé en dan worden wij vaak weer geconfronteerd met de kleine, gewone dingen die we na zo’n ochtend weer opeens met nieuwe belangstelling bekijken. Ik kijk ernaar uit maar ga nu eerst lekker slapen. Maar daarvoor, inderdaad, een beetje lezen.

lezen en herkennen

 

Lezen heeft vele plezierige kanten. Een daarvan is de herkenning. Zo las ik onlangs weer eens in ‘ Overpeinzingen van een bramenzoeker’ (1923) van R.N. Roland Holst:

‘ Mijn jongere vrienden schrijven mij hoe zij op de steilste Alpen klimmen en ik verdroom hier de middag tussen de bloeiende hei, volgend het spel van schitterlichte arabesken, die zon en water te zamen tegen de donkere oever vlechten.
Zou ik te oud worden voor die hoge tochten? Mijn haren, het is waar, grijzen, maar fataler teken lijkt mij nog die diepe bevrediging die het hart in dadeloos mijmeren vindt. Zou alleen mijn gevoel wellicht nog kunnen klimmen tot waar de wolken zijn?…

‘ De zon gaat schijnen op de plek waar ik lig, nu komen insekten kruisen vlak boven mijn hoofd, ‘t is een felle muziek in miniatuur, ‘t is of zij strakgespannen snaartjes aanslaan die maar kort blijven zingen…

…Nu kraait ver weg een jonge haan, schor nog en zonder stridente eindwimpel- als de jonge hanen kraaien, is ‘t najaar dichtbij…

En nu nadert het najaar, dat was gisteren al te voelen en af en toe ruik je de herfst al. Maar wat ik leuk vind van dit stuk, behalve de taal, is dat het weer terugslaat op een eerder stuk over het op je rug liggen en naar de wolken kijken en verder helemaal niets doen. En dan de herkenning natuurlijk van de grijze haren en de mindere behoefte om verre reizen te gaan maken. Behalve in je geest dan, daar beklimmen we de hoogste toppen zonder enige moeite. Heerlijk.

zo’n heerlijk ouderwets treintje

‘ het treintje met een hooggepijpte, reikhalzende locomotief en met klapperzieke houten portiertjes. Het stopt aan alle stationnetjes en verzint voortdurend en spontaan onverwachte stopplaatsen tussen boomgaarden en langs plichtmatig murmelende beekjes aan welks boorden slaperige koeien Narcissus staan na te doen… En er zijn geen stationschefs die zich met het treintje durven bemoeien, geen keurige mijnheren met veel te nette scharlaken petten en veel te deftige lakense jassen. Hier is de conducteur de baas. En als hij na een langdurig en beminnelijk gesprek met een zojuist uitgestapte boerin besluit dat we verder zullen gaan, ontrolt hij fier zijn grote groene seinvlag, omdat het feest is als je vertrekt. En de machinist kijkt vanuit het raampje van zijn aamborstige maar onversaagde koffiemolen en knikt glimlachend:’ Ja, we gaan.’ En dan piept de reumatiek in de oude ijzeren gewrichten, een schok van ontroering loopt door alle buffers en wij rijden lustig klepperend door de weiden. En alle bomen wuiven, de koeien loeien en de heuvels zijn bespannen met groen fluweel.’ …

Dit heerlijke citaat komt uit het boek dat ik al vaker heb gelezen en dat weer op mijn nachtkastje ligt. Overdag ligt het op hetzelfde kastje dat dan echter geen dagkastje heet maar nog altijd nachtkastje. Vreemd. Het boek is geschreven door Daan van der Vat ( als dichter bekend als Daan Zonderland) en het heet: ‘Een ongeneeslijke verbijstering. Over Engelsen en andere bezienswaardigheden.’ een genot om weer te lezen. Wat een heerlijke taal en wat een bijzondere kijk op het leven in Engeland.Snap je nu waarom ik gewoon boeken moet blijven kopen? Dan kun je ze herlezen wanneer je wilt en erin schrijven wat je wilt. En we hebben nog een plank vrij in onze mooie nieuwe boekenkast.

En ik wil afsluiten met het fantastische bericht dat de scan van neef A. goed was!

de eerste films

Stel: je hebt af en toe een wat onscherpe zwartwit foto’s gezien en dan komt er iemand in je dorp langs die beweert bewegende beelden te kunnen laten zien op een doek. Dat geloof je niet, dus je gaat kijken of dat echt waar is. In ‘ Boy’ van Bernlef wordt beschreven hoe dat rond 1900 in Amerika ( maar dat zal elders ook) eruit zag.

…’Voor een nickel per voorstelling kon je zo’n theatertje binnen waar het naar uien en pinda’s rook. Het publiek zat op eenvoudige houten keukenstoelen en reageerde met luid geroep op wat er op het scherm gebeurde. Vaak zat er een pianist ter zijde van het podium, die met bonkend geweld de scènes van een muzikale omlijsting voorzag. Tussen het wisselen van de filmrollen werden er populaire liedjes gespeeld die luidkeels werden meegezongen. Er kropen kinderen in het halfduister tussen de stoelen rond en veel vrouwen zaten onder het kijken te breien of aardappelen te schillen…

…die eerste films vertelden nog geen enkel verhaal. Ze lieten alleen maar gebeurtenissen zien. Dat je een stukje van de werkelijkheid kon bewaren en steeds maar weer opnieuw vertonen, dat was het werkelijke wonder. Die eerste bezoekers gingen daarom vaak iedere dag opnieuw kijken om te controleren of die gefilmde beelden echt wel bewaard waren gebleven…

En dan nu: je maakt wat mee, filmt het en zendt het door over de hele wereld als je wilt. Wat een verschil. Daarom is het zo heerlijk te lezen en voor je te zien hoe het begin is geweest.

twee citaten uit Boy

Als ik ergens loop zonder fototoestel en ik zie iets dat mijn aandacht trekt, dan maak ik van mijn hand een kokertje en kijk daardoor. Dan heb ik een idee hoe een foto eruit zou kunnen zien. Het is inmiddels wel bekend dat ik graag oude muren en muren met opschriften, scheuren enz. fotografeer. Daarom vond ik onderstaand citaat uit ‘ Boy’ van Bernlef zo leuk:

Hij maakte een kijker van zijn rechterhand en tuurde zo naar de huizen naast de spoorbaan.’Ik heb laatst een blinde muur gefotografeerd,’ zei hij. ‘ Een prachtige foto, al zeg ik het zelf. Ieder steentje is anders. Je kunt er de lichtval aan aflezen, de verschillende diktes van de specieranden, de lichte brokkeling aan de randen.’
‘ Een blinde muur,’ zei William. ‘De uitdrukking zegt het al. Omdat mensen er niets in zien, verklaren ze de muur voor blind.’
John lachte…

Voor mij bestaan er eigenlijk geen blinde muren in de betekenis van: niets aan te zien. Ik zie bijna overal wel iets in, of aan.

In het boek staan genoeg stukken om te citeren, maar ik pak er nog een korte uit.

…De weilanden gingen over in laag glooiende, vaalgroene duinen. Hij zag een man met een jutezak lopen, waarschijnlijk een stroper die achter konijnen aan zat. Coney Island was een verbastering van Konijnen Eiland, zoals de eerste Hollandse emigranten dit gebied in de zeventiende eeuw hadden genoemd. Als die Hollanders het indertijd een beetje slimmer hadden aangelegd zou New York nu een Hollandse stad zijn geweest en werd er over de hele wereld Hollands gesproken…

Dit heb ik nooit geweten en ik denk dat ik niet de enige ben.

Het boek speelt rond 1900 rond New York en er staan ook een paar leuke stukken in over het begin van de film. Maar dat komt een andere keer.

nog even verder vliegen

Naar aanleiding van de reactie van Els op het stuk over de vlieg ben ik eens gaan kijken wat Midas Dekkers over de vlieg schrijft in zijn boek ‘ Pets’. En die titel slaat weer mooi op wat Els schreef. Op pagina 35 schrijft hij:…’ Stront of suiker, het is de vlieg om het even. Voor hij ervan eet, moet de tandeloze sabbelaar vast voedsel eerst een beetje oplossen door er wat maagsap op te spuwen. Zo spuwt hij suiker op uw stront en stront op uw suiker, vermengd met honderdduizenden bacteriёn  uit zijn darmkanaal. Buiten op zijn lichaam voert de vlieg nog een miljoen bacteriёn mee aan de haren waarmee romp, poten, voeten en zelfs vleugels zijn bezet… Tegen de voortplanting van een vlieg is niets opgewassen. Zou al haar nageslacht in leven blijven, dan brengt  een zwanger wijfje in een zomer vijf miljard nieuwe vliegen ter wereld, met een gezamenlijk gewicht als dat van alle Amsterdammers…
 

En wat een geluk voor ons dat roodborstjes, pimpelmezen en andere vogels die vliegen, en andere insecten, met huid en haar verslinden. Daarom is het zo belangrijk dat we in onze tuinen struiken en bomen houden waar de vogels in kunnen schuilen, rusten, uitkijken en we in de herfst niet al het blad van de grond halen want daaronder kan het wemelen van insecten die de vogels weer van de winter kunnen opeten. Ik heb op internet twee plaatjes van vliegen gehaald. Vooral die ene die lekker in zijn handen wrijft, zo van’ mmm, lekkere hapjes’, vind ik leuk. Ja, en hoe lastig ook voor ons, die beestjes zitten zo knap in elkaar, kunnen zo’n tweehonderd vleugelslagen per seconde ( volgens M.Dekkers) doen, dat is toch niet voor te stellen. In de tijd dat jij ‘ eenentwintig’ zegt heeft die vlieg dus al tweehonderd keer met zijn vleugels gewapperd. Ons oog kan dat niet eens registreren. Mijn advies: als je er een ‘n doodsklap wilt geven, bekijk hem vooraf even op je gemak want wat hij kan, kun jij niet. Andersom trouwens ook.

schrijversportretten

Als je zo’n titel leest, dan denk je waarschijnlijk aan een geschreven portret over een schrijver, althans, dat denk ik dan direct. Maar er zijn natuurlijk ook foto’s en schilderijen van schrijvers gemaakt. Ga maar eens naar het Letterkundig Museum in Den Haag, daar hangt de bovenverdieping er vol mee. Maar nu heb ik jaren geleden een boekje gekocht/gekregen waarin getekende zelfportretten van schrijvers staan en het leuke is dat de meeste van hen een karikatuur van zichzelf maakten. Ik kwam ze net weer onder ogen toen ik bezig was wat mapjes door te nemen van: wat kan weg, wat mag blijven. Deze mogen blijven: Vasalis, Buch, Carmiggelt, R.Campert.

natuur mee in bed

Tja, ik ben zelf natuurlijk ook een stuk natuur dat ik mee naar bed neem, maar met de titel bedoel ik het lekkere bedboek ‘ PETS’ de beste dierenverhalen in en om het huis, van Midas Dekkers. Waarom ik het een bedboek noem? Omdat het korte verhalen heeft zodat je de volgende avond zo weer verder kan met een nieuw verhaaltje. Omdat het lekker leest, me een glimlach en soms zelfs een echte lach ontlokt en omdat ik geniet van de bijzondere wijze waarop Dekkers naar de wereld om ons heen kijkt. Heel vaak zijn zijn eerste zinnen nieuwsgierig makend zoals in het stuk over de huismuis:

Honden hebben het er zelf ook moeilijk mee. Zij hebben viér poten om in hun poep te trappen. Toch heb ik dat een hond nog nooit zien doen. Evenmin zie je binnenshuis ooit een poes met een hoofd als een boei iets onder zijn poten vandaan schrapen…”

Maar ook zijn laatste zinnen mogen er zijn, zoals in het stuk over de bacterie:
…”Moeten we ons dan maar niet meer wassen? Natuurlijk wel. Infectieziekten zijn immers niet door de dokter als wel door de loodgieter uitgeroeid. Af en toe wassen kan heus geen kwaad. Doe het gerust. Als was het maar om onze bacteriën een goede beurt te geven. Want díé viespeukjes wassen zich nooit.”

En ik sluit het af met een laatste zin van het stuk over de Vlaamse Reus: …” Op de erfzonde heeft zeep geen vat”.

En terwijl het al half elf in de avond is, staan alle ramen nog open, zitten de mensen nog heerlijk buiten. Ja, zo hoort een zomeravond te zijn. Zo dadelijk lekker lezen over ‘ het knaagdier’ . Benieuwd welk knaagdier tevoorschijn komt na de introductiezinnen: “Geheimen moet je houden. Daarom werd het de politie op het Schotse eiland Mull onlangs verboden vertrouwelijke papieren nog langer met het vuil mee te geven…”

gestameld liedboek

Ik denk dat ieder van ons wel iemand kent of heeft gekend die dement is of alzheimer heeft (gehad). Dat kan in allerlei stadia zijn en als je dat van dichtbij meemaakt van een geliefd iemand, dan is dat zwaar, verdrietig, pijnlijk, soms even vrolijk maar vooral doet het pijn. Erwin Mortier, die ook het prachtige boek over de eerste wereldoorlog ( ik kan dat niet met hoofdletters schrijven) schreef: ‘ Godenslaap’, heeft een boek geschreven over de veranderingen bij zijn moeder door alzheimer. Hij heeft het in een prachtige vorm gedaan: korte stukjes met veel wit er omheen op de pagina’s, alsof hij zo ook wilde verbeelden dat ze steeds minder woorden en meer leegte in zich kreeg. Het boek heet ‘ Gestameld liedboek’ en het is een aanrader. Ik lees het nu voor de dere keer en ieder keer weer ontroert het mij en eveneens pleziert het mij door zijn taalgebruik. Lees maar pagina negen mee:

“Dit is de mond waar ik in de wieg wie weet hoe lang naar gestaard heb. Dit is de mond wiens gymnastiek van liefkozing, slaaplied, gefluister me op het spekgladde oppervlak van de woorden overeind moet hebben getrokken. Dit is de mond die haar spraak nu ontbladert, de woorden klinker voor klinker uitkleedt in pufjes adem, tandengekansr, gesmak. Soms mompelt ze mondenvol pap naar buiten, ben ik het die luistert en met een zakdoek de woordmoes van haar kin veegt.’

gratis boeken

Van de week hebben we een auto vol boeken van mijn moeder naar de kringloopwinkel gebracht. We zijn blij dat er een nieuwe bestemming voor komt. Maar het kan ook anders. In Amerika, maar ook al in Nederland, verschijnen in sommige straten kleine boekenhuisjes waar je overtollige boeken in kunt leggen en een ander mag die er gratis uithalen. Een leuk buurtinitiatief. Ik vond er een leuke foto van:

« Previous EntriesVerder kijken »