een wens doen

O, die wensen

Er was eens een echtpaar dat 25 jaar getrouwd was. Ze vierden dit en dat ze beiden 60 jaar waren geworden. Tijdens het feest kwam een fee langs die zei dat ze ieder een wens mochten doen. De vrouw zou graag samen met haar man een wereldreis maken en ze was nog niet uitgesproken of de reisbiljetten had ze al in haar hand. De man mocht uiteraard ook een wens doen.’ Mag ik echt alles vragen?’, vroeg hij. Toen de fee dat bevestigde vroeg hij ‘ een vrouw die 30 jaar jonger was dan hij’. Hij was nog nauwelijks uitgesproken of hij was 30 jaar ouder.

Dit heb ik niet zelf bedacht, maar vrij naverteld uit het boekje ‘Lente in je hart’ van Erich Kaniok.

mijn stoel!

Ik herlas een aantal aangestreepte delen in het boekje ‘: Het volle leven” van Wilhelm Schmidt. Onderstaand citaat is vast herkenbaar.

‘ Als ik in een ruimte kom, dan weet ik meteen welke stoel ‘ de mijne’ is. Als hij al bezet is, ergert mij dat: wat is dat voor brutaliteit om op mijn stoel te gaan zitten? Al te uitbundig hoeft hij niet te zijn, geen troon, want ik ben per slot van rekening geen koning. Hij moet comfortabel zijn en mij een beetje in de armen sluiten, met een lichte ronding waarin mijn rug zich kan vlijen. Misschien ook met leuningen, die me ondersteunen als ik moe ben. Ik heb er niets tegen wanneer hij bekleed is: het leven is al hard genoeg en laat dan tenminste mijn achterste maar zacht neerkomen…

…Het liefst heb ik dat ik er een beetje in kan hangen zoals ik dat zelf het prettigst vind, en het mooiste is als de stoel er zelf ook plezier aan beleeft. Hij mag voor mijn part piepen van genoegen, zolang hij maar niet van oudersomszwakte in elkaar zakt als ik erop zit…

Doen we eigenlijk te weinig he, wat mijmeren over de dingen die ons omgeven iedere dag en die we daarom bijna niet meer echt zien. Morgen is weer het schrijfcafé en dan worden wij vaak weer geconfronteerd met de kleine, gewone dingen die we na zo’n ochtend weer opeens met nieuwe belangstelling bekijken. Ik kijk ernaar uit maar ga nu eerst lekker slapen. Maar daarvoor, inderdaad, een beetje lezen.

lezen en herkennen

 

Lezen heeft vele plezierige kanten. Een daarvan is de herkenning. Zo las ik onlangs weer eens in ‘ Overpeinzingen van een bramenzoeker’ (1923) van R.N. Roland Holst:

‘ Mijn jongere vrienden schrijven mij hoe zij op de steilste Alpen klimmen en ik verdroom hier de middag tussen de bloeiende hei, volgend het spel van schitterlichte arabesken, die zon en water te zamen tegen de donkere oever vlechten.
Zou ik te oud worden voor die hoge tochten? Mijn haren, het is waar, grijzen, maar fataler teken lijkt mij nog die diepe bevrediging die het hart in dadeloos mijmeren vindt. Zou alleen mijn gevoel wellicht nog kunnen klimmen tot waar de wolken zijn?…

‘ De zon gaat schijnen op de plek waar ik lig, nu komen insekten kruisen vlak boven mijn hoofd, ‘t is een felle muziek in miniatuur, ‘t is of zij strakgespannen snaartjes aanslaan die maar kort blijven zingen…

…Nu kraait ver weg een jonge haan, schor nog en zonder stridente eindwimpel- als de jonge hanen kraaien, is ‘t najaar dichtbij…

En nu nadert het najaar, dat was gisteren al te voelen en af en toe ruik je de herfst al. Maar wat ik leuk vind van dit stuk, behalve de taal, is dat het weer terugslaat op een eerder stuk over het op je rug liggen en naar de wolken kijken en verder helemaal niets doen. En dan de herkenning natuurlijk van de grijze haren en de mindere behoefte om verre reizen te gaan maken. Behalve in je geest dan, daar beklimmen we de hoogste toppen zonder enige moeite. Heerlijk.

zo’n heerlijk ouderwets treintje

‘ het treintje met een hooggepijpte, reikhalzende locomotief en met klapperzieke houten portiertjes. Het stopt aan alle stationnetjes en verzint voortdurend en spontaan onverwachte stopplaatsen tussen boomgaarden en langs plichtmatig murmelende beekjes aan welks boorden slaperige koeien Narcissus staan na te doen… En er zijn geen stationschefs die zich met het treintje durven bemoeien, geen keurige mijnheren met veel te nette scharlaken petten en veel te deftige lakense jassen. Hier is de conducteur de baas. En als hij na een langdurig en beminnelijk gesprek met een zojuist uitgestapte boerin besluit dat we verder zullen gaan, ontrolt hij fier zijn grote groene seinvlag, omdat het feest is als je vertrekt. En de machinist kijkt vanuit het raampje van zijn aamborstige maar onversaagde koffiemolen en knikt glimlachend:’ Ja, we gaan.’ En dan piept de reumatiek in de oude ijzeren gewrichten, een schok van ontroering loopt door alle buffers en wij rijden lustig klepperend door de weiden. En alle bomen wuiven, de koeien loeien en de heuvels zijn bespannen met groen fluweel.’ …

Dit heerlijke citaat komt uit het boek dat ik al vaker heb gelezen en dat weer op mijn nachtkastje ligt. Overdag ligt het op hetzelfde kastje dat dan echter geen dagkastje heet maar nog altijd nachtkastje. Vreemd. Het boek is geschreven door Daan van der Vat ( als dichter bekend als Daan Zonderland) en het heet: ‘Een ongeneeslijke verbijstering. Over Engelsen en andere bezienswaardigheden.’ een genot om weer te lezen. Wat een heerlijke taal en wat een bijzondere kijk op het leven in Engeland.Snap je nu waarom ik gewoon boeken moet blijven kopen? Dan kun je ze herlezen wanneer je wilt en erin schrijven wat je wilt. En we hebben nog een plank vrij in onze mooie nieuwe boekenkast.

En ik wil afsluiten met het fantastische bericht dat de scan van neef A. goed was!

de eerste films

Stel: je hebt af en toe een wat onscherpe zwartwit foto’s gezien en dan komt er iemand in je dorp langs die beweert bewegende beelden te kunnen laten zien op een doek. Dat geloof je niet, dus je gaat kijken of dat echt waar is. In ‘ Boy’ van Bernlef wordt beschreven hoe dat rond 1900 in Amerika ( maar dat zal elders ook) eruit zag.

…’Voor een nickel per voorstelling kon je zo’n theatertje binnen waar het naar uien en pinda’s rook. Het publiek zat op eenvoudige houten keukenstoelen en reageerde met luid geroep op wat er op het scherm gebeurde. Vaak zat er een pianist ter zijde van het podium, die met bonkend geweld de scènes van een muzikale omlijsting voorzag. Tussen het wisselen van de filmrollen werden er populaire liedjes gespeeld die luidkeels werden meegezongen. Er kropen kinderen in het halfduister tussen de stoelen rond en veel vrouwen zaten onder het kijken te breien of aardappelen te schillen…

…die eerste films vertelden nog geen enkel verhaal. Ze lieten alleen maar gebeurtenissen zien. Dat je een stukje van de werkelijkheid kon bewaren en steeds maar weer opnieuw vertonen, dat was het werkelijke wonder. Die eerste bezoekers gingen daarom vaak iedere dag opnieuw kijken om te controleren of die gefilmde beelden echt wel bewaard waren gebleven…

En dan nu: je maakt wat mee, filmt het en zendt het door over de hele wereld als je wilt. Wat een verschil. Daarom is het zo heerlijk te lezen en voor je te zien hoe het begin is geweest.

twee citaten uit Boy

Als ik ergens loop zonder fototoestel en ik zie iets dat mijn aandacht trekt, dan maak ik van mijn hand een kokertje en kijk daardoor. Dan heb ik een idee hoe een foto eruit zou kunnen zien. Het is inmiddels wel bekend dat ik graag oude muren en muren met opschriften, scheuren enz. fotografeer. Daarom vond ik onderstaand citaat uit ‘ Boy’ van Bernlef zo leuk:

Hij maakte een kijker van zijn rechterhand en tuurde zo naar de huizen naast de spoorbaan.’Ik heb laatst een blinde muur gefotografeerd,’ zei hij. ‘ Een prachtige foto, al zeg ik het zelf. Ieder steentje is anders. Je kunt er de lichtval aan aflezen, de verschillende diktes van de specieranden, de lichte brokkeling aan de randen.’
‘ Een blinde muur,’ zei William. ‘De uitdrukking zegt het al. Omdat mensen er niets in zien, verklaren ze de muur voor blind.’
John lachte…

Voor mij bestaan er eigenlijk geen blinde muren in de betekenis van: niets aan te zien. Ik zie bijna overal wel iets in, of aan.

In het boek staan genoeg stukken om te citeren, maar ik pak er nog een korte uit.

…De weilanden gingen over in laag glooiende, vaalgroene duinen. Hij zag een man met een jutezak lopen, waarschijnlijk een stroper die achter konijnen aan zat. Coney Island was een verbastering van Konijnen Eiland, zoals de eerste Hollandse emigranten dit gebied in de zeventiende eeuw hadden genoemd. Als die Hollanders het indertijd een beetje slimmer hadden aangelegd zou New York nu een Hollandse stad zijn geweest en werd er over de hele wereld Hollands gesproken…

Dit heb ik nooit geweten en ik denk dat ik niet de enige ben.

Het boek speelt rond 1900 rond New York en er staan ook een paar leuke stukken in over het begin van de film. Maar dat komt een andere keer.

« Previous Entries