velocipede stortbad

Wat is het toch een luxe dat ik, als ik wil, iedere dag kan gaan douchen. En, als ik dat wil, naar de sportschool gaan kan, mijn fiets kan pakken of op een andere manier actief kan zijn. Nu was er een Engelse fietsfabrikant die in 1897 bedacht: dat moet toch in een moeite door kunnen? En zo bedacht hij het ‘Velocipede stortbad’. ’s Morgens onder het douchen direct even trainen om in conditie te blijven. Het is een soort hometrainer en stortbad waarbij het arbeidsvermogen, dat je zelf opwekt door te trappen, niet verloren gaat, maar de pomp aandrijft die het neergestorte water weer omhoog pompt. Het was zelfs mogelijk onder de bak een verwarmingselement te plaatsen waardoor je geen stortbad van koud water kreeg, maar van heerlijk, de spieren ontspannend warm water. De redacteur van het blad waarin dit artikel verscheen zag grote mogelijkheden voor rijwielclubs en scholen. Ik ben benieuwd of het ook werkelijk ooit in productie genomen is. Ik heb er niets over kunnen vinden. De informatie over het bovenstaande vond ik weer in het boek ‘Knotsgekke uitvindingen van de 19e eeuw’ van Leonard de Vries.

pedespeed

Schoonzoon R. heeft iets nieuws: staande op een plankje met aan twee kanten wielen draait hij rondjes op de parkeerplaats achter het huis. Maar ja, wat is nieuw? Ik las van de week een artikel uit 1870 over een nieuwe uitvinding: de ‘pedespeed’. Het waren ‘ twee wielen van 35 cm. middellijn waaraan solide notehouten stijbeugelvormige voorzieningen waren bevestigd, in wier onderkant zich voetsteunen als bij schaatsers bevonden’.

Deze wielschaatsen vereisten enige oefening maar als je de nodige vaardigheid onder de knie had kon je het hele jaar schaatsen, ook als er geen ijs was. Het werd aangeprezen als ‘ een heerlijk, gezond en sierlijk tijdverdrijf gedurende alle jaargetijden’.

Voor het gebruik door dames konden die wielen aan de bovenkant worden afgedekt, ter bescherming van de kleding.

Dit las ik in het vermakelijke boek ‘Knotsgekke uitvindingen van de 19e eeuw’, door Leonard de Vries. De illustratie komt ook uit dat boek. En het boek komt weer uit de kringloopwinkel.

mutsen

In het Volkenkundig museum werd ik zondag getroffen door een serie mutsen uit Afghanistan. In Zuidwest-Aziëzijn mutsen belangrijke kledingstukken. Het is niet gepast blootshoofds rond te lopen.Ik denk opeens aan mijn moeder die vroeger nooit uitging zonder hoofddoek of hoed en mijn vader had ook altijd een hoedje op.
In Afghanistan tonen de mensen van oudsher met hun hoofdbedekking hun leeftijd, geslacht en afkomst. Materiaal en motief laten zien of de drager een man of vrouw is en de combinatie van het soort stiksel met een motief toont waar de muts vandaan komt. Maar tegenwoordig wordt de decoratieve waarde vaak belangrijker gevonden dan de historische of etnische betekenis.
Nu ben ik vergeten te kijken op de informatie bij de mutsen, door ik weet niets van de herkomst, behalve dat zij uit Afghanistan komen. Maar zonder dat te weten kun je er ook gewoon van genieten.

heilige van de dag

Vandaag is de naamdag van de heilige Apollonia. Zij leefde in de derde eeuw in Alexandrië(Egypte). Tijdens de vervolgingen van keizer Decius, tussen 248 en 249, werd zij opgepakt. De eerste legende vertelt dat een woedende menigte haar mishandelde waardoor haar tanden uit haar mond werden geslagen.

Een later legende (zie de afbeelding) beweert dat haar tanden een voor een werden uitgetrokken. Deze marteling was om haar van haar geloof af te brengen, maar zij was standvastig en stierf op de brandstapel. Latere kunstenaars hebben haar afgebeeld met een tang in de hand en in die tang een tand.
In de tijd dat tandbederf een algemene kwaal was, werd zij de aangeroepen tegen tand- en kiespijn. Tandartsen benoemden haar tot hun patrones.

Bij mij roept de naam heel andere beelden op. Toen ik jong was en op de zwemclub DWR (De Waterratten) zat, hadden wij een medepoloster die Plonie heette en haar naam was voluit Apollonia. Gelukkig had zij al haar tanden nog.

wekker

Als ik geen wekker zou hebben zou ik bijna iedere ochtend een gat in de dag slapen. En omdat ik ’s middags ook al rust blijft er dan weinig dagtijd over. Mijn wekker geeft me dus meer leef-tijd. Ik zet hem braaf voor het slapen gaan en vertrouw hem volledig.
Vroeger had je de porder die in de vroegte van de ochtend zijn lijst klanten langs ging, op het raam klopte, net zo lang tot er een teken van wakker-zijn werd gegeven.
Gelukkig word ik niet wakker getikt maar klinkt er een klaaglijk ‘miauw’.
Een van de leuke dingen van een oude telefoon is dat hij nu als wekker kan fungeren. Voor de rest is hij te ouderwets geworden, net als de porder van vroeger.

boterbriefje

Ton en ik hebben lang geleden een boterbriefje gehaald, onze kinderen hebben dat niet gedaan. Die zijn zonder gaan samenwonen. Ik heb eens gekeken waar dat ‘ boterbriefje’ vandaan komt. Dat gaat terug naar de Middeleeuwen, al had het toen een andere betekenis. Toen had je ook al de vastentijd en in die periode mocht je toen geen zuivelprodukten gebruiken. Nu wist de kerk overal slaatjes uit te slaan en ook hier. Wilde je wel zuivelprodukten gebruiken maar niet in de hel komen, dan kocht je een aflaat: een boterbriefje.

Vroeger was ‘boterbrief’ ook een spotnaam voor belastingaanslagen en andere officiële stukken die in botergele enveloppen werden afgeleverd. Pas in de Eerste Wereldoorlog kreeg het de huidige betekenis. De boter was toen op de bon en alleen mensen die officieel getrouwd waren kregen kregen boter. Je moest dan wel bewijzen dat je getrouwd was, dus ging men een ‘boterbriefje’ halen.

Dit las ik op een bewaarde pagina uit ‘Het Kleine Loo’ die ik weg wilde doen in het kader van het grote opruimen. Goed dat ik toch geregeld weer dingen terugleg en ze niet allemaal in de papierbak doe. En ik vond nog wat gezegdes over boter.

tja

Zondag op de jaarmarkt stond onze boekhandelaar met wat kramen en daar ga ik dan natuurlijk snuffelen. Een van de boeken die ik kocht is getiteld “Adam at geen appel”. Het gaat over verhalen uit het Oude testament die door de schrijver Dick Berents historisch worden onderzocht. Alleen om de titel zou je het al kopen want die maakt nieuwsgierig. De inleiding begint goed:

…In 1989 moesten de leden van de onderwijsraad in de staat Texas de begroting voor het volgend jaar vaststellen. Zij wogen zorgvuldig het belang van de verschillende vakken tegen elkaar af. Toen iemand achteraf vroeg waarom ze helemaal geen geld hadden uitgetrokken voor het onderwijs in vreemde talen, was het antwoord: “We houden niet zo van dat nieuwerwetse gedoe. Als Engels goed genoeg was voor God toen Hij de Bijbel schreef, dan is het ook goed genoeg voor onze kinderen”…

Hier kan ik alleen maar van zuchten.

luistervink

Zijt gij reeds luistervink?

Met een uitzending van de zender Pracht Concerten Gratis Gegeven gaat in 1919 in Nederland het eerste radioprogramma de ether in. Nederland heeft hiermee meteen een wereldprimeur: de zogeheten PCGG wordt gezien als de allereerste omroepzender ter wereld. Ze zou echter niet lang de enige blijven. Tegen het einde van de jaren ’20 had iedere zuil een eigen omroep en werd het grootste deel van de zendtijd verdeeld onder de VARA, NCRV, KRO en AVRO.

AVRO-leden werden door hun directeur Willem Vogt ‘ luistervinken’ genoemd.

Na de Tweede Wereldoorlog neemt de populariteit van de radio alleen maar toe. Steeds meer Nederlanders mogen zich een echte ‘luistervink’ noemen. De behoefte aan populair amusement is in de jaren na de oorlog groot. De huiskamer vormde het centrum van het bestaan met de radio als stralend middelpunt. Een en ander veranderde met de uitvinding van de transistorradio in 1957. Met name jongeren waren nu niet meer gedwongen met hun ouders in de woonkamer naar de radio te luisteren en konden afstemmen op zenders als radio Luxemburg, die meer aandacht besteedde aan populair amusement dan de verzuilde omroepen. De Hilversumse zenders wilden hun publiek liever opvoeden dan amuseren. Zo weigerde de VARA midden jaren ’50 nog liedjes van Johnny Jordaan uit te zenden. Toch wisten legio programma’s van de verzuilde omroepen de luisteraar te boeien. De familie Doorsnee, De Bonte Dinsdagavondtrein en Negen heit de klok hielden hele gezinnen wekelijks aan de radio gekluisterd.

oranje

De Nederlandse vlag is tegenwoordig rood-wit – blauw. Maar dat is niet altijd zo geweest. De ouderen, zoals ik, kennen de kreet: ‘oranje-blanje-bleu’. Dat waren oorspronkelijk de kleuren omdat die bij het kostuum van Willem van Oranje pasten. Het probleem was dat er nog geen oranje verf bestond die zijn kleur hield. Het oranje uit die tijd verbleekte tot geel of werd roodachtig. Halverwege de zeventiende eeuw was men dat zat en veranderde men het oranje in rood.

Waar het oranje uit die tijd nog wel in de vlag zit, is in die van New York. Dat komt zo: op 20 juli 1673 veroverden Nederlandse soldaten de stad terug op de Engelsen. In triomf liepen ze door de straten en doopten de stad Nieuw Oranje. Doordat Nederland in verschillende oorlogen verwikkeld was, hadden ze geen tijd en zin om de stad te blijven verdedigen tegen de Engelsen en droegen haar daarom in 1674 weer over aan de Britten. De naam Oranje ging verloren maar aan de vlag is nog te zien dat we er wel geweest zijn.

Dit kwam ik te weten toen ik over oranje las in het boek ‘Het geheime leven van kleuren’ vanwege het kleurenproject dat ik met Nel doe en in oktober de kleur oranje aan de beurt was.

Hermann de manke

Soms lees ik iets over een heilige van die dag en dat was gisteren Hermann de manke.

Je krijgt bij zo’n naam direct een beeld voor ogen, maar dat wordt bijgesteld als je over de betreffende man leest. Weer een mooi voorbeeld dat ondanks grote tegenslag iemand heel belangrijk kan zijn voor zijn omgeving.

Hermann werd op 18 juli 1013 te Saulgau bij de Bodensee geboren als zoon van graaf Wolfrad II von Veringen te Altshausen. Vlak na zijn geboorte werd hij getroffen door een spierziekte. Die zorgde ervoor, dat hij aan beide benen verlamd raakte, moeizaam sprak en alleen nog zijn rechterarm kon gebruiken, zodat hij in ieder geval nog kon leren schrijven.

Op zevenjarige leeftijd werd hij aan de benedictijner abdij van Reichenau toevertrouwd, waar de zalige Benno van Osnabrück († 1088; feest 20 november) zijn leermeester was. In 1043 trad hij uit eigen verlangen toe tot de kloostergemeenschap. Dat zal door zijn hulpbehoevendheid wel geen vanzelfsprekendheid geweest zijn. Maar zo gehandicapt en mismaakt als hij lichamelijk was, zo begaafd bleek hij van geest. Hij ontwikkelde zich tot een veelzijdig wetenschapper. Hij was theoloog, wiskundige, astronoom, musicus, vertaler en historicus; zijn bekendste werk is het ‘Chronicon’, een wereldgeschiedenis vanaf Christus’ geboorte tot aan het jaar 1054.

Bovendien wordt hij door sommigen beschouwd als de beroemdste dichter van zijn eeuw. Zo schreef hij een aantal kerkelijke liederen en hymnen; de nog altijd bekende en gezongen hymnen ter ere van de Maagd Maria, ‘Salve Regina’ en ‘Alma Redemptoris Mater’, worden aan hem toegeschreven. Hij zou het ‘Salve Regina’ hebben gecomponeerd naar aanleiding van een pausbezoek aan het eiland Reichenau. Volgens zijn tijdgenoten was hij een uiterst beminnelijk en fijngevoelig mens; zij noemden hem ‘Het Mirakel van Onze Eeuw’. Reeds bij zijn leven waren zij ervan overtuigd een groot heilige in hun midden te hebben. Hij stierf op 41 jarige leeftijd in 1054 op 24 september. (tekst: heiligen.net)

Hij moet in zijn tijd wel bijzonder geweest zijn dat er een afbeelding van hem is gemaakt, en bewaard.

Verder kijken »