wekker

Als ik geen wekker zou hebben zou ik bijna iedere ochtend een gat in de dag slapen. En omdat ik ’s middags ook al rust blijft er dan weinig dagtijd over. Mijn wekker geeft me dus meer leef-tijd. Ik zet hem braaf voor het slapen gaan en vertrouw hem volledig.
Vroeger had je de porder die in de vroegte van de ochtend zijn lijst klanten langs ging, op het raam klopte, net zo lang tot er een teken van wakker-zijn werd gegeven.
Gelukkig word ik niet wakker getikt maar klinkt er een klaaglijk ‘miauw’.
Een van de leuke dingen van een oude telefoon is dat hij nu als wekker kan fungeren. Voor de rest is hij te ouderwets geworden, net als de porder van vroeger.

boterbriefje

Ton en ik hebben lang geleden een boterbriefje gehaald, onze kinderen hebben dat niet gedaan. Die zijn zonder gaan samenwonen. Ik heb eens gekeken waar dat ‘ boterbriefje’ vandaan komt. Dat gaat terug naar de Middeleeuwen, al had het toen een andere betekenis. Toen had je ook al de vastentijd en in die periode mocht je toen geen zuivelprodukten gebruiken. Nu wist de kerk overal slaatjes uit te slaan en ook hier. Wilde je wel zuivelprodukten gebruiken maar niet in de hel komen, dan kocht je een aflaat: een boterbriefje.

Vroeger was ‘boterbrief’ ook een spotnaam voor belastingaanslagen en andere officiële stukken die in botergele enveloppen werden afgeleverd. Pas in de Eerste Wereldoorlog kreeg het de huidige betekenis. De boter was toen op de bon en alleen mensen die officieel getrouwd waren kregen kregen boter. Je moest dan wel bewijzen dat je getrouwd was, dus ging men een ‘boterbriefje’ halen.

Dit las ik op een bewaarde pagina uit ‘Het Kleine Loo’ die ik weg wilde doen in het kader van het grote opruimen. Goed dat ik toch geregeld weer dingen terugleg en ze niet allemaal in de papierbak doe. En ik vond nog wat gezegdes over boter.

tja

Zondag op de jaarmarkt stond onze boekhandelaar met wat kramen en daar ga ik dan natuurlijk snuffelen. Een van de boeken die ik kocht is getiteld “Adam at geen appel”. Het gaat over verhalen uit het Oude testament die door de schrijver Dick Berents historisch worden onderzocht. Alleen om de titel zou je het al kopen want die maakt nieuwsgierig. De inleiding begint goed:

…In 1989 moesten de leden van de onderwijsraad in de staat Texas de begroting voor het volgend jaar vaststellen. Zij wogen zorgvuldig het belang van de verschillende vakken tegen elkaar af. Toen iemand achteraf vroeg waarom ze helemaal geen geld hadden uitgetrokken voor het onderwijs in vreemde talen, was het antwoord: “We houden niet zo van dat nieuwerwetse gedoe. Als Engels goed genoeg was voor God toen Hij de Bijbel schreef, dan is het ook goed genoeg voor onze kinderen”…

Hier kan ik alleen maar van zuchten.

luistervink

Zijt gij reeds luistervink?

Met een uitzending van de zender Pracht Concerten Gratis Gegeven gaat in 1919 in Nederland het eerste radioprogramma de ether in. Nederland heeft hiermee meteen een wereldprimeur: de zogeheten PCGG wordt gezien als de allereerste omroepzender ter wereld. Ze zou echter niet lang de enige blijven. Tegen het einde van de jaren ’20 had iedere zuil een eigen omroep en werd het grootste deel van de zendtijd verdeeld onder de VARA, NCRV, KRO en AVRO.

AVRO-leden werden door hun directeur Willem Vogt ‘ luistervinken’ genoemd.

Na de Tweede Wereldoorlog neemt de populariteit van de radio alleen maar toe. Steeds meer Nederlanders mogen zich een echte ‘luistervink’ noemen. De behoefte aan populair amusement is in de jaren na de oorlog groot. De huiskamer vormde het centrum van het bestaan met de radio als stralend middelpunt. Een en ander veranderde met de uitvinding van de transistorradio in 1957. Met name jongeren waren nu niet meer gedwongen met hun ouders in de woonkamer naar de radio te luisteren en konden afstemmen op zenders als radio Luxemburg, die meer aandacht besteedde aan populair amusement dan de verzuilde omroepen. De Hilversumse zenders wilden hun publiek liever opvoeden dan amuseren. Zo weigerde de VARA midden jaren ’50 nog liedjes van Johnny Jordaan uit te zenden. Toch wisten legio programma’s van de verzuilde omroepen de luisteraar te boeien. De familie Doorsnee, De Bonte Dinsdagavondtrein en Negen heit de klok hielden hele gezinnen wekelijks aan de radio gekluisterd.

oranje

De Nederlandse vlag is tegenwoordig rood-wit – blauw. Maar dat is niet altijd zo geweest. De ouderen, zoals ik, kennen de kreet: ‘oranje-blanje-bleu’. Dat waren oorspronkelijk de kleuren omdat die bij het kostuum van Willem van Oranje pasten. Het probleem was dat er nog geen oranje verf bestond die zijn kleur hield. Het oranje uit die tijd verbleekte tot geel of werd roodachtig. Halverwege de zeventiende eeuw was men dat zat en veranderde men het oranje in rood.

Waar het oranje uit die tijd nog wel in de vlag zit, is in die van New York. Dat komt zo: op 20 juli 1673 veroverden Nederlandse soldaten de stad terug op de Engelsen. In triomf liepen ze door de straten en doopten de stad Nieuw Oranje. Doordat Nederland in verschillende oorlogen verwikkeld was, hadden ze geen tijd en zin om de stad te blijven verdedigen tegen de Engelsen en droegen haar daarom in 1674 weer over aan de Britten. De naam Oranje ging verloren maar aan de vlag is nog te zien dat we er wel geweest zijn.

Dit kwam ik te weten toen ik over oranje las in het boek ‘Het geheime leven van kleuren’ vanwege het kleurenproject dat ik met Nel doe en in oktober de kleur oranje aan de beurt was.

Hermann de manke

Soms lees ik iets over een heilige van die dag en dat was gisteren Hermann de manke.

Je krijgt bij zo’n naam direct een beeld voor ogen, maar dat wordt bijgesteld als je over de betreffende man leest. Weer een mooi voorbeeld dat ondanks grote tegenslag iemand heel belangrijk kan zijn voor zijn omgeving.

Hermann werd op 18 juli 1013 te Saulgau bij de Bodensee geboren als zoon van graaf Wolfrad II von Veringen te Altshausen. Vlak na zijn geboorte werd hij getroffen door een spierziekte. Die zorgde ervoor, dat hij aan beide benen verlamd raakte, moeizaam sprak en alleen nog zijn rechterarm kon gebruiken, zodat hij in ieder geval nog kon leren schrijven.

Op zevenjarige leeftijd werd hij aan de benedictijner abdij van Reichenau toevertrouwd, waar de zalige Benno van Osnabrück († 1088; feest 20 november) zijn leermeester was. In 1043 trad hij uit eigen verlangen toe tot de kloostergemeenschap. Dat zal door zijn hulpbehoevendheid wel geen vanzelfsprekendheid geweest zijn. Maar zo gehandicapt en mismaakt als hij lichamelijk was, zo begaafd bleek hij van geest. Hij ontwikkelde zich tot een veelzijdig wetenschapper. Hij was theoloog, wiskundige, astronoom, musicus, vertaler en historicus; zijn bekendste werk is het ‘Chronicon’, een wereldgeschiedenis vanaf Christus’ geboorte tot aan het jaar 1054.

Bovendien wordt hij door sommigen beschouwd als de beroemdste dichter van zijn eeuw. Zo schreef hij een aantal kerkelijke liederen en hymnen; de nog altijd bekende en gezongen hymnen ter ere van de Maagd Maria, ‘Salve Regina’ en ‘Alma Redemptoris Mater’, worden aan hem toegeschreven. Hij zou het ‘Salve Regina’ hebben gecomponeerd naar aanleiding van een pausbezoek aan het eiland Reichenau. Volgens zijn tijdgenoten was hij een uiterst beminnelijk en fijngevoelig mens; zij noemden hem ‘Het Mirakel van Onze Eeuw’. Reeds bij zijn leven waren zij ervan overtuigd een groot heilige in hun midden te hebben. Hij stierf op 41 jarige leeftijd in 1054 op 24 september. (tekst: heiligen.net)

Hij moet in zijn tijd wel bijzonder geweest zijn dat er een afbeelding van hem is gemaakt, en bewaard.

gevulde baarmoeders

Gisteren met twee vriendinnen naar Leiden geweest naar de tentoonstelling Casa Romana in het museum voor Oudheden. En het was weer genieten. Niet alleen van de tentoongestelde voorwerpen, maar ook van de geschiedenis van de vroegere Romeinen en hoe de rijken onder hen woonden. We liepen door hun vertrekken en zagen de voorwerpen die daar gestaan konden hebben. Heel veel indruk maakte het glaswerk op ons. Wat een vakmanschap hadden de mensen in die dagen. Als je de beelden ziet, de mozaïeken, de stoffen, maar ook het prachtig gekleurde glaswerk, dan ben je stil. Je zit en kijkt en blijft een hele tijd kijken. Ook lekker natuurlijk om even te rusten, maar wij alle drie laafden ons aan de schoonheid van vooral het glaswerk.

Aangekomen in de keuken was het verrassend om daar verschillende recepten op kaarten te zien van gerechten uit die Romeinse tijd. En dat was griezelen toen we het lazen. Neem nu dit gerecht: gevulde baarmoeder.

Uitgebreid staat geschreven welke groente en kruiden er schoongemaakt moeten worden, fijngestampt en dooreen gemengd. Dat alles gaat dan in de goedgewassen baarmoeders. Die worden vervolgens gekookt in water, olie, garum met een bouquet van prei en dille.

Er staat niet bij of het menselijke dan wel dierlijke baarmoeders zijn. Waar zou je zoiets kopen? Op de markt? Bij de slager? En hoe zou het ruiken?

Ik heb even opgezocht wat garum is. Het is een vissaus, gemaakt van gepekelde vissen of de ingewanden van vissen en die liet men twee tot drie maanden gisten en inweken.

Het bezinksel, dat ook werd gegeten noemde men allec en de vloeibare saus die eruit zag als oude honingwijn noemde men liquamen. Ik las dat er overal in het Romeinse rijk fabrieken waren waar men garum maakte. Daarna werden ze in amforen vervoerd en bewaard. En ook die amforen waren te zien. Kortom, een goede besteding van een regenachtige dag.

lantaarnopsteker

Bij het wegbergen van wat tijdschriften kwam ik weer het al eerder genoemde leuke boekje ‘Cycloram voor de Huisvrouw’ tegen en ik keek even waar ik plakbriefjes in had gedaan. Dat was niet bij het thema ‘ lamp’, maar ik las het toch weer even door. Het gaat over de geschiedenis van de lamp en de verlichting. Er stond ook een stukje in over de lantaarnaansteker en dat bracht me opeens terug naar de Riouwstraat waar we lang hebben gewoond. In het begin dat wij daar woonden kwam tegen het donker de lantaarnopsteker op de fiets met een ladder bij zich om de gaslantaarns aan te steken. Ik zocht net even op wanneer de laatste lantaarnopsteker in Haarlem, tevens de laatste van het land, stopte. Dat was in 1957 toen ik tien jaar oud was. Het kan dus kloppen dat ik het echt heb gezien. Soms denk ik wel eens: heb ik dat nu bedacht of was het echt. Dit was dus echt. Zoals op deze foto van Jan Hamers heb ik het in mijn gedachten.

Het was een echt avondberoep en dan kon je overdag een ander beroep uitoefenen. Zo was er in het Limburgse Lutterade een lantaarnopsteker zo omstreeks 1900 die overdag barbier was en tegen de avond, vergezeld door zijn geit, de negen lantaarns van het dorp ging aansteken.

In de ochtend moesten de opstekers weer hun ronde maken om de lamp te doven anders ging de brandstof te snel op. Toen men van olie op gas overging en overal gasleidingen kwamen, moesten er nieuwe lantaarns komen en toen daarna de elektrische verlichting kwam, moesten er weer nieuwe lantaarns komen. Het beroep van lantaarnopsteker was toen al uitgestorven.

Zonnestraal

Afgelopen zondag zijn we met onze vrienden H. en E. naar het vroegere sanatorium Zonnestraal gegaan voor een rondleiding. Het complex was oorspronkelijk bedoeld voor de diamantslijpers die tuberculose hadden opgelopen. Omdat men dacht dat binnen 30 jaar er geen t.b.c. meer zou zijn, werd het gebouw ontworpen voor een geringe levensduur. Het werd geopend in 1928 en tot 1931 werd er bijgebouwd. Later werd het een algemeen ziekenhuis en nu nog heeft het een medische functie in de delen die opgeknapt zijn..

Het gebouw is gebouwd in beton, heeft stalen ramen en de kleuren die zijn gebruikt zijn wit, zwart en het specifieke ‘ Duiker-blauw’. Duiker was de architect. Licht en lucht was het credo en dat is overal terug te vinden.

Gelukkig heeft men op tijd ingezien dat het complex monumentenwaarde heeft en is een grote renovatie in gang gezet en is nu kandidaat voor de werelderfgoedlijst van de Unesco.

Onze gids was een vlotte verteller. Hij heeft zijn leven lang hier gewoond en zet zich met hart en ziel in voor het geheel. Eens per maand is er op zondag een rondleiding en wie van architectuur houdt: gaan.

Gelukkig voor mij is nog niet alles gerestaureerd, dus nog oude muren om te fotograferen.


treinen

Woensdag reed ik met de trein over het eerste traject dat in Nederland was aangelegd en in september 1839 werd geopend. De reisduur is nu niet echt veel korter, maar de omstandigheden wel. Nu zijn er geen wegwachters die in Halfweg controleren of er geen overstroming is of een verzakking van het spoor. Zij hoeven niet constant naar losgeraakte bouten te zoeken of bagage die van het dak van de trein is gevallen.

Toen waren er nog drie klassen. De eerste klas rijtuigen waren overdekt en eerst groen en later donkerrood geverfd. Hiervoor moest je een kaartje voor de ‘ diligence’ kopen.
De tweede klasse was geel geverfd en heette ‘ char-à-bancs en de zeer eenvoudige derde klasse heette ‘waggons’. Tot 1859 waren de tweede en derde klasse niet overdekt, maar bij slecht weer werd er een zeil over gespannen.

Intussen ging het goederenvervoer gewoon nog door per trekschuit.

Maar niet alleen mensen werden per trein vervoerd, ook vee. Een paard kostte f.1,50, een varken f.0,50 en een schaap f.0,40.

Van dit alles had ik afgelopen woensdag nog geen weet, dat las ik pas gisteren in het leerzame boek ‘Op zoek naar het alledaagse vaderland.’ Al tientallen jaren in de kast, nu er weer eens uitgehaald.

Verder kijken »