strijken

Vanmorgen streek ik gelukkig niet het vaantje (flauwvallen) maar het strijkdroge strijkgoed met een moderne stoomstrijkbout en niet, zoals mijn moeder vroeger met een zware bout waarmee ze alles goed warm streek, behalve de zakdoeken. Als die als laatste gedaan moesten worden ging de stekker eruit, zuinigheid, en werd met het laatste restje warmte de bout koud gestreken.

Ik streek vanmorgen Ton over zijn bol terwijl op de radio een strijkconcert was met prachtige strijkmuziek. Toen de eerste bout leeg was ben ik even op de bank neergestreken met de i-pad op schoot. Door het raam viel strijklicht naar binnen, een rustmoment. Daarbij dacht ik aan wat ik op het nieuws had gehoord over geld dat aan de strijkstok was blijven hangen, aan alle strijkages rond het koninklijk paar en dacht: ‘erger je niet, verbaas je.’ En ik streek voort.

van tippelaar tot tintelhoofd

Ik zat wat te bladeren in het zeer dikke ‘ handboek voor de puzzelaar’ en zag daar achter het woord ‘ tippelaar’ staan: wandelaar. Wat schetst mijn verbazing dat achter het woord ‘ tippelaarster’ niet wandelaarster staat maar : lichtekooi, straatmeid. Dit is toch discriminatie?

Zo staat achter ‘ tortelen’: minnekozen. Maar een ‘tortelkot’ is geen minnekoosplek maar een bordeel. Van zacht naar hard, van lief naar betaald lief.

Ik zag nog twee hele leuke woorden: ‘ tintelkop.’ Dat betekent: driftkop, heethoofd.
En ‘ vonkenboer’. Ik had geen idee wat dat zou kunnen zijn en ‘ radiotelegrafist’ zou ik helemaal nooit erbij bedacht hebben. Ik ga er vast en zeker nog vaker in kijken.

drenken

Sinds de stroom vluchtelingen over zee zo enorm is toegenomen, zien we helaas ook velen die niet veilig de overkant hebben gehaald. Ik moet daaraan denken als ik het woord ‘drenkeling’ zie staan.

Drenken betekent: doen drinken. Je drenkt dorstige paarden, jijzelf drinkt er dan wat ander water bij. Dat gaat in een rustig tempo en je kunt ermee stoppen wanneer je wilt en het water komt niet in je longen.

Als iemand op zee overboord valt en verdrinkt omdat hij teveel water binnen krijgt, dan is hij eigenlijk een ‘ drinkeling’.

In oude teksten wordt het wordt ‘drenken’ gebruikt in de betekenis van ‘ drinken’. In de 17e eeuw noemt men een verdronken kalf al een ‘drenkt’ kalf. En zo kan het komen dat wij degenen die door verdrinking om het leven komen een drenkeling noemen. Wat moet je wanhopig zijn om het risico te nemen om in zo’n boot te stappen. En wat ben je gewetenloos als je die mensen in de boten midden op zee in de steek laat of de boten overvol stopt alleen voor geldelijk gewin.

citaat

Ik vind het weer eens tijd voor een citaat en kies dat dit keer uit: ‘Paardejam’ van Charlotte Mutsaerts. Het hoofdstuk:’ Het jukbeen of waarom men zijn tranen de vrije loop moet laten’ is te lang om hier te tonen, ik neem er een stukje uit.

Alleen die eerste zin al:

…Tranen die niet mogen biggelen worden verkropt.
Langs de binnenkant der ogen stromen ze de wangen in.
De neus kan niet alles afvoeren.
Hoe minder iemand huilt, hoe voller de wangen, hoe dieper de mondhoeken, het groter het chagrijn.
Huil dus veel.
Lach niet minder.
Door de lach vliegen de neusvleugels omhoog.
Het juk gaat mee de lucht in.
De wangen volgen…

Het leuke van Mutsaerts vind ik haar gedachtenkronkels. Zij kan zo origineel over gewone, alledaagse dingen door associeren en opeens kun je dat gewone ding niet meer als gewoon bezien, maar als bijzonder. ‘ Speels, dat vind ik het woord voor haar gedachten. Misschien is ze daarom wel een dubbeltalent, ze schildert namelijk ook op een geheel eigen wijze. En dan kan ze ook nog achterste voren praten, gezien bij Adriaan van Dis. Leuke vrouw, bijzondere vrouw.

roet in het eten

Ergens las ik een dezer dagen: ‘hij gooide roet in het eten’. En ik las verder en weet niet meer waar het betrekking op had. Maar het zinnetje bleef echter in mijn hoofd zitten en ik dacht: hoe zou dit gezegde ontstaan zijn? Dit is mijn theorie: roet komt onder andere uit de schoorsteen en vroeger hadden ze een vuur waarboven de etensketel hing en die hing dus boven het gat van de schoorsteen. Als die niet geregeld geveegd werd, dan zou het kunnen gebeuren dat losgeraakt roet in het eten viel en de smaak bedierf.

Ik ben het eens gaan opzoeken maar deze verklaring heb ik niet terug kunnen vinden. Wel dat de bittere smaak van roet er de bijbetekenis aan heeft gegeven van ‘ iets dat de lekkere smaak bederft’ en dus onaangenaam is. Maar ik vind mijn theorie leuker.

averechts

Averechts

Als ik dit woord lees denk ik direct aan het breien dat ik vroeger deed. En dan verder terug naar het leren breien op school. Ik herinner me dat ik vaak in een lange rij stond aan de zijkant van de lessenaar waar volgens mij een non zat. Meestal had ik een steek laten vallen en kon die niet zelf ‘ophalen’. En zo gebeurde het geregeld dat ik meer in de rij stond dan dat ik breide. Met een gevoel van plezier denk ik terug aan het latere hokjes breien, een aantal steken recht, een aantal steken averecht, dan weer recht enz. Tot er een vierkant hokje ontstond en dan draaide je het om: boven recht breide je dan een zelfde aantal pennen averecht en andersom. Wat ik minder leuk daarvan vond waren de grauw gebreide overhemdjes die ik moest dragen en waar ik zo’n hekel aan had. Mijn oma had die gebreid en ik voel nog mijn g
êne als ik voor de gymles bij het omkleden in dat grauwe hemdje stond.

Nu denk ik dat ik had moeten schrijven ‘ averechts’ maar voor mijn gevoel had ik dan ook ‘ rechts’ moeten schrijven. In het woordenboek staat dat ik ‘ averechts’ had moeten schrijven.

Een echt goede breister of haakster ben ik nooit geweest. Mijn moeder als kind ook niet. Als oma kon ze echter de meest mooie ingebreide truien en vesten maken. Zo blijkt maar weer dat als je iets met plezier doet, het meestal beter lukt. Toen M. en A. klein waren zat ik vaak met Marijke te breien, zoals we ook samen borduurden en op andere manieren creatief waren. Lekkere ontspannen ochtenden waren dat. Soms heb ik wel weer eens zin om rechts en averechts om te gaan slaan, maar mijn handen vinden dat geen goed idee. Dan maar erover schrijven. Dat pakt dan niet averechts uit.

door de wol geverfd

Kijkend naar de verkiezing van de Tweede Kamer voorzitter zei ik: “die is wel door de wol geverfd.” En direct er achteraan dacht ik: jij verft de wol toch, de wol verft jou toch niet?

Dus even opgezocht waar de uitdrukking vandaan komt. Het blijkt dat de positieve uitleg vroeger minder positief was. Nu betekent het: ‘ zeer ervaren’, maar voorheen stond het voor ‘ brutaal, doortrapt.’ (Van Dale 2005, dus echt niet lang geleden).

Eigenlijk moet er staan: in de wol geverfd zijn. Wol die direct van het schaap kwam en onbewerkt werd geverfd werd doordrenkt met verf en hield zijn kleur beter vast. Het kostte veel meer verf en was dus duurder dan wol die later pas geverfd werd. Die was niet zo doordrongen met verf.

In de zestiende eeuw werd de uitdrukking’ in de wol geverfd’ (van iets heel goed op de hoogte zijn, meestal iets ongunstigs) al gebruikt en in de achttiende eeuw werd het ‘ door de wol geverfd zijn’.

Opeens moet ik denken aan de tijd dat onze M. nog heel klein was en ik nog regelmatig zat te spinnen. Van mijn oom kreeg ik eens per jaar een schapenvacht, nog helemaal vies en stinkend, maar dat spon het lekkerst. Van de gesponnen draden breide mijn moeder vesten voor Ton en M. Het grote vest was zo zwaar dat Ton het zijn’ kogelvrije vest’ noemde. Dat jaar kreeg ik de vacht van een zwart schaap en ik zie M. nog lopen door de kinderboerderij. Mogelijk roken de schapen nog iets bekends aan haar vestje.

Van damloper tot drenkeling

Als ik nu het woord ‘ damloper’ hoor of zie, dan denk ik aan een hardloper die de Van Dam tot Damloop loopt. Of iemand die daar wat loopt te paraderen om gezien te worden. Hoe anders is de oorsprong van dit woord. Het werd toen nog met twee o’s geschreven: damlooper. Het was vroeger de naam van ‘een klein Noord-Hollandsch vaartuig, geschikt om over de dijken, dammen en overtoomen gehaald te worden.’

Wat een drenkeling is, dat weten we nu ook nog. Maar de beschrijving in het Zeemans woordenboek van Jacob van Lennep is zo leuk dat ik het even overtype: ‘ Drenkeling- Iemand die in het water verdronken is: by toepassing iemand die zoo verzopen aan boord komt, dat hy, naar alle schijn, de reis niet voltrekken, maar onderweg sterven zal en in zee begraven worden. Van een, die beschonken zijnde, over boord valt, zegt men wel: Hij is geen Drenkeling; want hij is zoo vol jenever, dat er geen zout water meer by kan loopen.

bochten

…’ Niets is mooier dan een rivier, die blinkende weg van het verlangen. Geen beter plek om te wonen dan aan het water, oponthoud voor dromers, onophoudelijk stromend. Het allermooist is het te wonen in een stad waar de rivier een bocht maakt, als was ze even uit haar loop verleid…’

Nelleke Noordervliet: ‘ Denkend aan Haarlem’.

En ik ken vier geluksvogels die daar zowel aan het Spaarne wonen en bij een bocht in die rivier. Als kind heb ik daar vlakbij gewoond, maar deze afbeelding van een ansichtkaart is zelfs van voor mijn tijd. Door de eeuwen heen is er van deze rivier genoten.

bramzijgertje en boterland

Toen ik enkele jaren geleden een i-pad kocht, zette ik er een aantal, gratis, oude boeken op. Zoals het ‘Zeemans woordenboek’ van Jacob van Lennep (1802-1868).

Dat is zo leuk om te lezen en af en toe staat er een stukje in waar ik geen woord van begrijp. Maar ik kom ook veel bekends tegen dat toen een andere betekenis had dan nu. Of ik kom een woord tegen dat ik wel ken maar de betekenis ervan niet meer precies. Neem nu het woord ‘ Bramzijgertje’. Het klinkt bekend en roept bij mij het beeld op van een jenevertje
In het boek staat:

Bramzijgertjen: naam, dien de visscherslieden geven aan fosforieke dampen, die nu en dan uit zee opstijgen en samensmelten, en waarin de visscher, ze door zijn verbeelding vergrootende, gestalten des duivels meent te zien.’
Ik zoek het even op Google op en daar staat, behalve bovenstaande definitie, ook dat Jan de Hartog dit mogelijk heeft verzonnen voor een te jong, illegaal bemanningslid in zijn boek. Voordien kwam het woord niet voor in deze betekenis.

De bemanningsleden zagen na eindeloze dagen alleen zee wel eens meer iets dat er in werkelijkheid niet was. Zo staat in het boek onder ‘ Boterland’: Land dat men waant te zien, doch ‘t welk alleen uit een gezichtsbegoocheling ontstaat, en als wegsmelt by ‘t naderen.

Heerlijk zo’n boek om af en toe wat in te bladeren.

Verder kijken »