varens

Vanochtend weer eens ouderwets met IVN-vriendin B. door Leyduin gewandeld. Hoewel, we stonden meer stil dan dat we wandelden. Maar er was ook zoveel te zien op de grond, op de bladeren, onder de bladeren. Mijn mooiste foto’s maakte ik van ontluikende varens. Dat blijft wonderbaarlijk mooi. B. had met haar telefoon de naam van de varen opgezocht maar die ben ik al weer vergeten. Geeft niet, het genietmoment is het belangrijkst. Geniet maar even mee.
Dankzij Ibo weet ik nu dat het  een adelaarsvaren is.

vergeten beroepen

Vergeten beroepen.

Aanlapper, nooit van gehoord. Wat zou het kunnen betekenen? Ik ken wel’ hij is erbij gelapt’, dat betekent dat iemand hem verraden heeft. Maar als ik in het oude woordenboek kijk zie ik daar staan: ‘aanlapper,jongen in eene spinnerij, die de gebroken draden aaneenhechten moet.’ Nu heb ik dat wel eens in oude filmpjes gezien en wat eerst opviel was het enorme lawaai van al die machines en oordoppen bestonden nog niet. Als een draad brak moest de aanlapper de twee einden in elkaar draaien zodat de draad weer stevig was en kon de machine weer verder. Werken daar ging onder zware omstandigheden en vaak moesten al heel jonge kinderen meewerken.

Nog een woord dat ik niet dagelijks hoor is aanspanner. Duidelijk dat er iets wordt aangespannen, maar wat? Weer kijk ik in de oude Van Dale en lees: ‘iemand die aanspant’ , nou dan weet ik nog niet wat aangespannen wordt. Maar er staat verder:’ iemand die paarden verhuurt voor eens anders rijtuig’.
Dat brengt me op een ander woord: ‘aapje’. Dat ken ik in de betekenis van kleine aap, maar zo werd vroeger een huurrijtuig in Amsterdam genoemd. En daar was dan waarschijnlijk een aanspanner bij betrokken geweest.
Ik lees dat de koetsier op een aapje dus een aapjeskoetsier werd genoemd en dat hij in uniform op de bok zat. De benaming is ontstaan in Amsterdam toen in 1880 een paardentaxibedrijf werd opgericht. Maar waarom het ‘aapje’ werd genoemd, dat kon ik niet achterhalen, tot ik een filmpje op youtube vond en daaronder werd vermeld dat de naam is ontstaan vanwege een vergelijking met een bepaalde apensoort en de grijs-rode kleding van de koetsier. Vast die apen met die enorme rode billen.
Op veel schilderijen zijn de aapjes en hun koetsiers afgebeeld en Breiner heeft ze ook op de foto gezet.

paardenbloem

Onlangs schreef ik dat ik de paardenbloem zo’n mooie bloem vind en liet twee foto’s daarbij zien. Maar wat de paardenbloem ook interessant maakt is het eigenlijk niet één bloem is maar een samenstelsel van allemaal gele lintbloempjes die ieder zowel mannelijk als vrouwelijk zijn. ’s Morgens openen ze zich en ’s avonds sluit de bloem weer. Na de bevruchting ontstaan de vruchtjes die met een vruchtpluis als een soort parachuut zo licht zijn dat ze door de wind ver weg geblazen kunnen worden. Aan het vruchtje zitten weerhaakjes waarmee ze zich verankeren in de grond. En zijn alle pluizen weg dan blijft er een kaal koppie over. En let eens op: waar veel gemaaid wordt hebben de paardenbloemen hele korte steeltjes en worden ze gewoon omlaag gedrukt en komen dan weer omhoog. Op andere plekken hebben ze lange stengels. Goed aangepast dus om te overleven.

kastanje

Toen ik net buiten liep en mijn hand in mijn zak stopte, voelde ik drie kastanjes. Iedere herfst stop ik in al mijn jaszakken kastanjes, iets dat mijn moeder had geleerd van haar moeder en ik weer van haar. ‘Goed tegen de reumatiek’ zei ze. Of het de kastanje zelf is of het feit dat je de kastanjes steeds in je hand verplaatst, ik weet niet waar de waarheid ligt.
Wel weet ik dat de paardenkastanje eigenlijk geen echte kastanje is zoals de tamme kastanje. Maar vanwege de stekels op de bolster, net als bij de tamme kastanje, is hij hier zo genoemd. Ook omdat als het blad is afgevallen je een soort paardenhoef ziet. Je ziet ook de nageltjes waar het hoefijzer mee vastgezet wordt. Kijk maar eens bij laaghangende takken. Er is geen boom die zulke grote bruine kleverige knoppen maakt als de kastanje. En in die knoppen zit alles al voor de nieuwe lente: blad, bloemen, takje, veilig met dons weggeborgen, winterproof.

En nu loopt alles uit en probeer ik al die stadia van ontluiken vast te leggen. En groot was mijn vreugde toen ik op één tak drie stadia ontdekte. Wat een cadeau.

klik op de foto om hem vergroot te zien.


stukje winter

Vanochtend stukje gaan lopen door klein bos om de hoek, samen met fototoestel. Even de winter vastleggen voor hij weer verdwenen is. Oh, ik heb zo’n zin in dagen vol vorst en een zonnetje daarbij. Waar geen zon op de bodem kwam waren de bladeren prachtig berijpt. Op een ander blad waren schimmels begonnen met een invasie.

first date

Ik zat aan tafel de krant te lezen toen ik een zwarte kraai steeds weer krr, krrr hoorde roepen, vlakbij. Dus even voor het raam gaan staan om te kijken waar het geluid vandaan kwam. Twee zwarte kraaien zaten vlak voor ons raam in de bijna kale lindenboom. De ene kraai die steeds riep zat wat hoger dan de andere. Verder deden ze niets, gewoon ieder op zijn eigen tak staan.
Wat me opviel was dat als de bovenste kraai krr krr riep, zijn staartveren uiteen gingen en als hij stil was, waren ze dichter bij elkaar. Na een tijdje was de onderste het stilstaan op die tak wat zat en ging er wat in pikken. En toen sprong hij/zij over naar een andere tak. Ook een paar keer in pikken en verder weer gewoon wat staan.
De bovenste kraai kwam niet van zijn/haar tak af.

In gedachten maakte ik van de roeper op de bovenste tak de man en van de wat onrustiger en wat onderzoekender kraai de vrouw.
Het roepen bleef geregeld terugkomen na steeds een stiltepauze. De vrouw trok aan wat dunne takjes maar kreeg ze er niet af. Toen opeens sloeg ze de vleugels uit en vloog weg. De bovenste keek verwonderd in het rond. Waar was ze nou?

En ik dacht weer in mensengedachten: een stel dat elkaar de ruimte laat om even apart op stap te gaan. En ik verwachtte dat hij haar wel achterna zou gaan. Maar nee. Na een tijdje vloog hij een totaal andere kant op na nog één keer even luid geroepen te hebben dat hij hier was.
Tja, als je dat niet op de muur kunt verven moet je het maar uitroepen.

Ik denk nu dat ze misschien helemaal nog geen stel waren en dat het hun ‘first date’ was. Zijn geroep beviel haar niet en dus ging zij er, zonder afscheid te nemen, opeens vandoor. Hij deed even of het hem niets kon schelen, ging nog even door met roepen, maar ging er toen ook vandoor. Hier was niets meer te halen.

bomen

Omdat Ton nog in het ziekenhuis lag ( hij mag gelukkig eind van de dag naar huis) ging ik op mijn gemak gisteren een stukje lopen door een vrij onbekend stukje bos hier in de buurt. Natuurlijk fototoestel mee en hoewel ik eerst niet blij was dat het miezerde was ik dat achteraf wel. De kleuren worden frisser en sommige bladeren glanzen en dan die waterdruppels op liggend gras, zo mooi. Maar nu even alleen aandacht voor wat me aan verschillende bomen opviel. Bomen, ze vervelen nooit. Hun vorm kan me treffen. Of de nieuwe vormen die ontstaan in een dode boom. Of de veerkracht van een boom die verder gaat waar alleen een stompje was overgebleven. Of de vormen van een restant klimop die bijna een schilderij worden. Of twee verschillende stukken schors naast elkaar. Heerlijk dat langzame rondlopen en mijn ogen speurend laten rondgaan. Nog heerlijker is dat ik later de foto’s heb om na te genieten.

mussen

Mussen (Passeridae) behoren tot een familie in de orde der zangvogels. De bekendste soort is ongetwijfeld de huismus. In de Latijnse naam zie ik iets van ‘aanpasser’ en dat vind ik wel passen. En ik heb nooit geweten dat het getsjilp als gezang werd aangeduid. Maakt niet uit, ik geniet van die bruine scharrelaar die ik geregeld zie op het strand.

Het is nu 2020 als ik over de mus schrijf. Maar dat werd heel lang geleden ook al gedaan. Het vroegste dat ik kon vinden was uit 1608 : ‘MUSSCHENTONG. De haewkens oft vruchten van de Esschen worden genaemt inde Apoteken…, dat is Vogelstonge, oft Mussentonge.

En in die tijd werden matrasjes of kussentjes gevuld met ‘Mosschen-veeren’. Hoeveel mussen zouden daarvoor nodig zijn geweest? Ik ben bang heel veel. Maar daar zaten ze toen niet zo mee. Mussen hebben nooit hoog in aanzien gestaan. Nu ze de laatste jaren dreigden te verdwijnen worden ze pas gewaardeerd.

Maar in 1642 werden vogeltjes vooral vanwege hun eetbaarheid gewaardeerd, hoewel: De Vincken en Leeuwerken…sijn meest al licht te verteeren…De Mossen zijn wat harder…
Ook in de spreekwoorden kwam de mus er niet echt voordelig uit. In 1810 : ‘zijn kruid op de musschen verschieten’ (zijn moeite besteden aan een te geringe zaak). En ‘iemand blij maken met een doode mosch (voldaan zijn zonder genoegzame reden).

Als je rond 1857een mosch van een meid’ genoemd werd, was dat geen compliment. Er was dan weinig aardigs aan je te ontdekken. En dan kan het ook zo gebeuren dat er een ‘mussengild’ werd opgericht : een vereeniging tot het doodschieten van musschen in den zaaitijd.

Als ik weer eens in een museum van oude kunst ben, zal ik opletten of ik een mus in de handen van een jonge vrouw zie op een schilderij. Dat duidt op wulpsheid. Dit vanwege de toen verbreide opvatting over de aard van deze vogel.

Nee, dan maar liever nu leven als mus. Dan word je weer gastvrij ontvangen in de tuinen en wordt er zelfs landelijk aandacht aan je besteed. Alleen uitkijken dat je bij te grote hitte niet op het dak gaat zitten. Voor je het weet val je er dood vanaf.

stinksigaar

Wij noemden ze vroeger ’stinksigaren’ en dat kwam omdat wij ze, als een sigaar, aanstaken en dat rook niet lekker, het stonk. Maar het was wel stoer. Nu weet ik dat de plant een lisdodde heet en al in de oudheid in ons land voorkwam. Hij bloeit in juni-juli en is eenhuizig, de mannelijke en vrouwelijke bloemen groeien aan dezelfde plant. Lisdodden groeien in en aan het water. Vroeger werd de ’sigaar’ ook gebruikt als lampenpoetser en om kannen en tuiten van kannen schoon te maken. Hij werd dan ook ‘lampenpoetser’, kannenwasser’ of ‘tuitenrager’ genoemd.
Maar hij werd voor meer zaken gebruikt. De zachte aren werden ook gebruikt om lampenglazen schoon te maken. Kussens werden gevuld met het pluis van de rijpe sigaren en het blad werd als strooisel in stallen gebruikt. Een zeer nuttige plant dus want zelfs in de keuken werden onderdelen van de plant gebruikt: de jonge scheuten en bladeren in salades, de wortel als basis voor zetmeel en het stuifmeel als bindmiddel.

Dat alles kwam ik te weten omdat ik een foto tegenkwam die ik vorig jaar maakte van stinksigaren en ik eigenlijk wel eens iets meer van die plant wilde weten.

de schoonheid van de paardenbloem

Ik houd van planten die zelf bepalen waar ze willen/kunnen ontkiemen. Zo zie ik overal waar ik loop tijdens mijn blokje om paardenbloemen. In het gras, tussen spleten van asfalt, tussen openingen in stoeptegels. Als je eens door je knieën gaat ( gaat bij mij niet zo goed dus ik zoom in met mijn fototoestel) dan wordt zo’n allerdaags bloempje opeens iets prachtigs. Het leuke van de paardenbloem vind ik dat je alle stadia van het bloemleven bijna tegelijkertijd kunt zien. Ik heb ze op de foto gezet.

De paardenbloem (Taraxacum officinale) behoort tot de composietenfamilie, een van de grootste families op aarde. Bij deze bloemen denk je dat je één bloem ziet, maar in feite bestaat dat bloemhoofdje uit vele kleine bloempjes die straks ieder een parachuutje vormen waar een zaadje aan hangt. De wind is de zaadverspreider maar door toedoen van de mens is hij over vele continenten verspreid.

« Previous EntriesVerder kijken »